Artikelindex

Artikel 8. Beëindiging lidmaatschap en schorsing

1. Het lidmaatschap eindigt:
a. door het overlijden van een lid, behoudens overgang van het lidmaatschap krachtens erfrecht op de echtgeno(o)t(e) van de overledene;
b. door schriftelijke opzegging door een lid tegen het einde van een verenigingsjaar, indien deze vóór één december van dat jaar door het bestuur is ontvangen;
c. door schriftelijke opzegging door het bestuur tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, indien een lid niet (meer) voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het lidmaatschap, voorts indien een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;
d. door schriftelijke mededeling van ontzetting (royement) uit het lidmaatschap door het bestuur van het lid, dat handelt in strijd met de statuten, de reglementen, of de besluiten van de vereniging of anderszins de belangen van de vereniging en/of haar leden schaadt.

2. Het besluit van het bestuur tot opzegging van of tot ontzetting uit het lidmaatschap wordt betrokkene per aangetekend schrijven en met redenen omkleed medegedeeld, waarna betrokkene zijn rechten als lid niet kan uitoefenen en geen functie in de vereniging kan bekleden.

3. Tegen een besluit van het bestuur tot opzegging van of tot ontzetting uit het lidmaatschap kan betrokkene binnen één maand na de ontvangst van de mededeling daarvan beroep aantekenen bij de algemene ledenvergadering.

4. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid, dat ontzet is uit het lidmaatschap, geschorst.

5. De algemene ledenvergadering beslist op voormeld beroep tegen het besluit tot opzegging van of tot ontzetting uit het lidmaatschap met een meerderheid van tenminste twee derde van de schriftelijk en geldig uitgebrachte stemmen.